Volgens de wetten van 1880 moesten jonge kloosterlingen in Frankrijk zich laten registreren ofwel het land verlaten. Daarom waren in 1881 het noviciaat en het scholastikaat buiten Frankrijk gevestigd. Wie eenmaal in den vreemde zijn priesterstudie had afgerond, kon naar het vaderland terugkeren. Maar er waren strengere maatregelen in de maak. Zo bepaalden de militaire wetten van 1889, dat jonge religieuzen niet langer vrijgesteld waren van militaire dienst, maar net als andere burgers voortaan drie jaar onder de wapens moesten. Als alternatief mochten de rekruten opteren voor een vaste verblijfplaats in een Frans gebied buiten Europa vanaf hun negentiende tot hun dertigste levensjaar. Men hoopte daarmee de Franse aanwezigheid in de koloniale gebieden op een eenvoudige en efficiënte manier te versterken. Voor jonge kloosterlingen gold dezelfde optie. Helaas beschikte het Gezelschap van Maria nog niet over stichtingen in een Franse kolonie. Kon Canada niet dienen als springplank voor de vestiging van de congregatie in een Franse kolonie?

Op het kapittel van april 1890 stond Canada dan ook in het brandpunt van de belangstelling. Bouchet legde er rekenschap af over de twee weeshuizen die intussen waren goedgekeurd. Fleurance op zijn beurt deed verslag over de twee parochies die men al had aangenomen, maar die nog op officiële goedkeuring wachtten. Zoals bekend was dat in strijd met de officiële regel en zou het op verzet kunnen stuiten bij de kapittelleden. Fleurance omzeilde die gevaarlijke klip door de provincie Ontario, waar beide parochies onder ressorteerden, voor te stellen als een missiegebied, de bijbehorende pastorieën als missiehuizen en de paters als missionarissen, werkzaam onder een directeur, min of meer zoals in de congregatie het geval was in Frankrijk. Alles werd zonder protest aanhoord. Te meer omdat Fleurance, gesteund door zijn vriend Bouchet, de vergadering uitnodigde om de jongelui naar Canada te sturen en zo aan de nieuwe militaire wetten te ontsnappen. Zijn belangrijkste argument was de brief waarin Mgr. Duhamel de congregatie verlof gaf om eigen opleidingshuizen in het aartsbisdom Ottawa te beginnen. Ten tweede wees hij op het voorbeeld van Ste Marie in Schimmert, waar al vijf studenten ingekleed waren. Precies zo zou het in Canada kunnen gaan. Provisorische behuizing was te vinden in een van de pastorieën waarover men beschikte. Het kapittel ging akkoord.

Drie categorieën jongeren binnen de montfortaanse vormingshuizen vielen onder de nieuwe wet: de Franse scholastieken in Schimmert, de Franse novicen in Meerssen en de studenten van de apostolische school in Pontchâteau, voorzover ze tussen de negentien en dertig jaar oud waren. De Franse novicen en scholastieken in Nederland liepen niet onmiddellijk gevaar, want ze verbleven in het buitenland. Maar de twee hoogste klassen van Pontchâteau moesten naar Canada vertrekken. Ze verlieten Pontchâteau in de namiddag van 4 augustus 1890 en kwamen op 17 augustus in Québec aan. Van daar ging het verder naar de jonge parochie Eastview bij Ottawa, waar ze voorlopig onderdak kregen. Zes van hen moesten nog aan de poësis (vijfde leerjaar) beginnen en elf aan de retorica (zesde leerjaar). Naar Franse gewoonte zouden de laatsten eerst noviciaat maken, gevolgd door de retorica, een jaar filosofie en drie jaar theologie. Er was op dat moment echter geen mogelijkheid om een noviciaat te beginnen vanwege plaatsgebrek. Toch besloot men beide jaargangen alvast in te kleden. De plechtigheid vond plaats in de kerk van Eastview op het feest van de heilige Rozenkrans, 7 oktober. Later in de maand verhuisde de groep naar het nabije Cyrville. De behuizing was er erbarmelijk. Omdat er geen geld was voor personeel en ander werkvolk, moesten de jongelui alles zelf doen. Daarbij kwamen de talrijke dagelijkse gebeden: morgengebed, meditatie, mis, dankzegging, drie rozenhoedjes, gewetensonderzoek, bezoek aan het Allerheiligste, geestelijke lezing en avondgebed. Naast dat alles wachtte er ook nog het normale lesrooster en het ongemak van een strenge winter. Dat alles hadden zij te nemen, terwijl een aantal van hen nog niet wist of ze wel kloosterling wilden worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat op het einde van het schooljaar geen van de zes leerlingen van de poësis was overgebleven. Ze hadden allen gekozen voor het pioniersleven als burger in Canada. De hoogste klas echter had tot de laatste man standgehouden.

            In juni 1891 komt pater Maurille op bezoek in Cyrville. Tot aan zijn komst was het nog volop zijn bedoeling het experiment voort te zetten, maar hij zag al snel in dat een en ander een vergissing was geweest en besloot tot stopzetting ervan. Op 9 oktober beginnen de overgeblevenen alsnog hun noviciaat in Cyrville. Allemaal leggen ze in oktober 1892 hun eerste geloften af en beginnen dan hun scholastikaat. Dat laatste wordt inderhaast mogelijk gemaakt door de in Schimmert gestationeerde Franse scholastieken over te laten komen naar Canada. De keuze viel aanvankelijk op Montreal, waar de bisschop in 1893 een parochie in de voorstad Dorval aanbood met verlof daar het gewenste studiehuis te vestigen. De parochie werd in dank aanvaard, maar van een scholastikaat in Dorval zag men vanwege de onkosten uiteindelijk af. Men bleef in Cyrville. Aangezien de Nederlandse scholastieken in Schimmert niet talrijk genoeg waren om een eigen scholastikaat te rechtvaardigen, volgden zij hun Franse confraters in 1893 naar Canada. Daar begon het eerste studiejaar met tien ter plaatse geprofeste fraters (een was er tijdens het noviciaat blijkbaar uitgevallen) en veertien fraters uit Schimmert, waaronder elf Nederlanders.