Van 1877 tot 1903 doen zich in Haïti geen wezenlijke veranderingen voor, behalve dat men in 1890 het bisdom Port-de-Paix formeel overdraagt aan de seculiere geestelijkheid. Toch zijn er dan al tekens van nieuw leven. Zo arriveert in 1896 pater Paul-Marie Le Bihain in Haïti; hij zal veertien jaar later de leiding nemen bij de reorganisatie van het bisdom. In 1987 werken er alweer zeven montfortanen en in 1898 arriveert de eerste Nederlandse montfortaan, Jozef Brouwers, die op 11 september 1898 priester was gewijd in Algerije door mgr. L. Livinhac, algemeen overste van de Witte Paters. Twee maanden later, op 9 november, volgde zijn benoeming tot missionaris op Haïti. Hij werd er kapelaan in de parochie Saint-Louis-du-Nord, waar hij zou blijven tot zijn vertrek naar Malawi in 1905. Als tweede Nederlander komt in 1903 Henri Pijls, een jaar na zijn wijding. Ook zijn eerste standplaats werd Saint-Louis-du-Nord, waar Brouwers hem nog twee jaar kon inwijden in de missiemethode, zoals die zich over een periode van meer dan dertig jaar met vallen en opstaan ontwikkeld had. Pijls, die altijd voor iedereen klaar stond, zou, tot aan zijn dood door volledige uitputting in 1934, in Haïti blijven.
De definitieve ommekeer voor de montfortanen in Haïti, na decennia van pech en ellende, begon in 1910, toen de congregatie opnieuw de verantwoordelijkheid voor het bisdom Port-de-Paix kreeg, dat sinds zijn oprichting in 1860 nooit een bisschop gekend had en werd geadministreerd door de bisschop van Cap-Haitien. Ook nu werd niet meteen een bisschop benoemd. Missieoverste Paul Le Bihain werd aangesteld als vicaris-generaal en pastoor van de stad Port-de-Paix. Aan hem viel de uitdaging toe de montfortaanse aanwezigheid in Haïti definitief vorm te geven.
De grootste uitdaging uit die periode was waarschijnlijk de oorlog van 1914-1918, toen een aantal Franse confraters onder de wapens geroepen werden. Van de twaalf paters in de vijf uitgestrekte parochies, die men toen had, moesten er zes vertrekken. Men deed toen een beroep op de Nederlandse provincie om de vrijgekomen plaatsen te vullen. Al eerder, vanaf 1910, waren vijf Nederlandse paters in Haïti aangekomen. Een van hen was Hubert Bovens, die de mislukte montfortaanse vestiging in Liberia achter de rug had en daarna vier jaar in Engelstalig Canada gemissioneerd had. Hij werd in 1910 benoemd voor Haïti, waar hij tot 1919 werkte in de parochie Carrefour. In datzelfde jaar 1910 kwam ook Jozef Schumacher, die tot aan zijn vertrek in 1935 in Saint-Louis-du-Nord zou blijven, de parochie waar vóór hem zijn landgenoten Jozef Brouwers en Henri Pijls hadden gewerkt. De eerste was intussen in 1905 naar Malawi vertrokken en de tweede had een jaar eerder Saint-Louis-du-Nord verruild voor het armoedige Jean-Rabel. In 1911 arriveerde Piet W. Eken, die via een aantal bijdragen in Onze Missionarissen en Missiehuizen verslag van zijn belevenissen deed tot zijn vertrek in 1919. Met hem reisden de Franse pater J.B. Huet en Hendrik Op-Hey uit Horst.
Tijdens de oorlog arriveren er nog vijf: Guillaume Salden (1915), Nicolaas Timmermans in 1916, Theodoor Wilshaus en Jan Bolten in 1917, en Frans Hakvoort in 1918. Salden, een wat mensenschuwe academicus met een Romeinse doctorstitel in pastorale theologie en met een passie voor kerkgeschiedenis, ging voor zes jaar naar de hoofdstad Port-au-Prince als huisgeestelijke aan het Collège Saint Louis de Gonzague; de anderen kwamen in parochies terecht. Timmermans ging naar Anse-à-Foleur, de parochie die het meest verweesd was achtergebleven na het vertrek van de Franse missionarissen. Hij zou er blijven tot het einde van zijn missieloopbaan in 1946. Wilshaus, die drie jaar in het weeshuis te Montfort in Canada voor de klas had gestaan had, zou in Haïti blijven tot aan zijn dood in 1964. Een bijzonder tragisch geval was dat van Jan Bolten. Na het behalen van zijn doctoraat in theologie in Rome in 1916 werd hij benoemd voor Haïti. In afwachting van zijn reisvergunning kwam hij naar Oirschot, waar de jonge pater Jozef Geurts, die ook een benoeming had voor Haïti, hetzelfde probleem had. Eind november 1916 kreeg Bolten een telegram met de opdracht zo vlug mogelijk naar Amsterdam te komen; het telegram voor Geurts ging onderweg helaas verloren, zodat hij eerst in februari 1919 naar Haïti kon gaan. Intussen was Bolten op 8 december 1917 vertrokken en op 2 februari 1918 aangekomen. In Port-de-Paix won hij in vier en een halve maand de tijd aller achting, maar hij stierf in de nacht van 18 op 19 juni als ‘eerste Nederlandse montfortaan wiens gebeente in den schoot der Zwarte Republiek zou rusten’. Frans Hakvoort werd na aankomst kapelaan in Môle-Saint-Nicolas en twee jaar later in Carrefour, een buitenwijk van Port-au-Prince. Hij overleed ten gevolge van een auto-ongeluk op 27 mei 1932.
Na de oorlog arriveerde ook Jozef Geurts. Hij zou bijna vijftig jaar in Haïti werken, eerst twintig jaar in de binnenlanden en daarna vrijwel altijd in Port-au-Prince en in Port-de-Paix, waar hij huisgeestelijke was in de plaatselijke colleges. Zijn dierbaarste herinneringen lagen op het eiland La Tortue, waar hij van 1924 tot 1938 heeft gewerkt. Het ‘Schildpadeiland’ werd beschouwd als een van de moeilijkste posten vanwege zijn grote uitgestrektheid, zijn schaarse bevolking, het ‘lage beschavingspeil’ en de ‘schuwheid’ van de mensen. Geurts doorkruiste het eiland in alle richtingen ‘om de lieden aan te sporen hun kinderen te laten dopen en ook zelf naar de kerk te komen’. Ook bouwde hij er twee scholen en een ’heel aardig heiligdom’. Het moet voor hem een hele overgang geweest zijn van die verlatenheid, waaraan hij desondanks gehecht was, naar het stedelijke pastoraat dat hem de volgende kwart eeuw in beslag zou nemen.